De kracht van het arrangement - 2

Het kan anders …

Het ontwerpen en realiseren van bewegingsactiviteiten die door ieder kind betekenisvol en uitdagend ervaren worden, is een serieuze uitdaging. We kunnen vaststellen dat dit voor beweegprofessionals enerzijds een complexe en ingewikkelde opgave en anderzijds een uitdagende ambitie is. Kunnen de gereedschappen uit de toolbox van het nieuwe motorische leren de professional de benodigde structuur en houvast bieden? Geven deze gereedschappen voldoende richting om nog krachtiger bewegingsarrangementen te ontwerpen?

In het vorige artikel, verschenen in het KVLO magazine 2018 nr 9 werd ingegaan op enkele vormen en strategieën die onderdeel zijn van de toolbox van het nieuwe motorische leren. In dit artikel wordt het verband gelegd tussen de kracht van het arrangement en interne en externe motivatie.

Speelkriebels

Speelkriebels zijn de betekenissen die het kind zelf aan een bepaalde activiteit geeft om daarmee op eigen manier vorm te geven en deel te nemen aan die activiteit. De speelkriebel is wat de bewegingsactiviteit maakt tot een activiteit waarmee het kind iets kan (Beenhakker et al., 2016, 2017). Kinderen hebben en ervaren verschillende speelkriebels en komen verschillende dingen halen en brengen in de les.

Een springkussen is een illustratief voorbeeld van een arrangement dat bij vrijwel elk (jong) kind een speelkriebel oproept die wordt ervaren als een uitnodiging om te gaan springen.

Oog hebben voor de specifieke speelkriebels zorgt dat bewegingsactiviteiten beter gaan aansluiten bij wat een kind wil en kan.

Een bewegingsomgeving wordt gecreëerd waarin activiteiten meer gaan lukken. De succeservaringen nemen toe, de bewegingsontwikkeling krijgt een boost en de motivatie wordt vergroot. Veelal is dit de intrinsieke motivatie om meer te exploreren en te experimenteren (Sheldon et al., 2003, 2004; Baumeister &Leary, 1995; Deci & Vansteenkiste, 2004; Deci & Ryan, 2008, 1985, 1983).

Extrinsieke (ervaren) beloningen kunnen daarentegen het effect hebben dat de intrinsieke motivatie voor een handeling, activiteit of bepaald gedrag verloren gaat (discounting principe) omdat de externe reden voor gedrag veelal beter zichtbaar is dan de interne. Met als gevolg dat als de externe reden, in de vorm van beloning, complimenten of goedkeuring, wegvalt, er geen reden meer over is.

Eigenaarschap en zelfregulatie

Het lijkt dat het gebruik van impliciete instructie en dwangstellingen een groot effect oplevert op het oefenresultaat en een gemiddeld effect op het leerresultaat. Het heeft een positieve invloed op het ervaren van beter worden in deze beweging, de autonomie en de zelfregulatie. Daarbij wordt het ervaren van uitdaging en spanning vergroot maar bovenal heeft het een grote positieve invloed op het plezier dat wordt beleefd aan het deelnemen.

Motivatie blijkt meer samen te hangen met kunnen dan met willen (Hersey & Blanchard, 2012; Feather, 1992). De gangbare mening is dat de motivatie toeneemt, als op basis van realistisch gestelde doelen, successen worden behaald (Latham & Locke, 2006; Weiner, 2007; Dweck, 2012, 2007, 2000). Het accent leggen op lukken, het ervaren van moeite doen, beleven van succes, intrinsiek gemotiveerd gedrag en eigenaarschap zijn de smeerolie voor effectief leren in bewegingssituaties.

Persoonlijk ervaren

Met het introduceren van speelkriebels wordt het accent gelegd op het persoonlijke ervaren en beleven van de beweger. Door ervaren bewegingsuitdagingen te verbinden met de specifieke (te leren) vaardigheid ontstaat een krachtige vakinhoudelijke combinatie (Beenhakker et. al., 2016, 2017) die naadloos aansluit op de constraints-led approach (Chow e.a., 2016; Renshaw, Davids & Savelsbergh, 2010; Davids, Button & Bennett, 2008).

Figuur 1: De speelkriebel binnen de driehoek individu – arrangement – leervoorstel

Door het introduceren van de juiste speelkriebel kun je van een zwakke situatie een voor een bepaalde deelnemer sterke(re) situatie maken. Zo is voor veel jonge kinderen het mikken tegen opgehangen kranten dat een tof geluid geeft of het kapot gooien van die kranten een sterkere speelkriebel dan het mikken in een vak tegen de muur of een mand op de grond.

Foto 2: mikken tegen opgehangen kranten

Het bewegingsarrangement wordt beter passend, meer op maat en daarmee uitdagender voor een specifieke deelnemer.

Constraints zijn de grenzen waarbinnen de beweger beweegvaardigheden of beweegoplossingen kan verkennen.

De kenmerken en eigenschappen van de beweger waaronder de speelkriebel, de specifieke en de bewegingsruimte beïnvloeden elkaar. Een verbinding met methodische principes en didactische uitgangspunten, het zogenoemde teach and learn, is dan ook steeds gericht op het opdoen van een brede bewegingservaring en -ontwikkeling om leerlingen zich te laten ontwikkelen tot bewegingscompetente deelnemers aan bewegingssituaties.

Succesvol leren

Een dwangstelling - het zal duidelijk zijn dat we geen fan zijn van deze omschrijving - hebben we omschreven als sturend leren waarbij het bewegingsarrangement zo is ingericht dat de gewenste bewegingsuitvoering als het ware vanzelf wordt uitgelokt. Een dwangstelling is een strategie die bewegers uitlokt een beweging of een deel ervan goed uit te voeren en waarmee dus fouten worden voorkomen. Het hebben van succes is effectiever dan het meemaken van fouten. Het is daarmee (ook) een vorm van foutloos leren, waarbij het idee is dat de beweger nauwelijks over de bewegingsuitvoering gaat nadenken.

Bij het ontwerpen van oefenvormen waarbij er weinig fouten worden gemaakt kun je gebruikmaken van dwangstellingen. Een dwangstellingen heeft uitdagende, sturende, verleidende of remmende kenmerken die een faciliterende maar ook een belemmerende werking (kunnen) hebben op specifiek bewegingsgedrag. Dit faciliteren of belemmeren kan op een aantal verschillende manieren; instructie, materiaal maar ook het aanpassen van regels biedt mogelijkheden een bepaalde beweging uit te lokken.

Het aanpassen van het arrangement; bijvoorbeeld het versmallen van het speelveld leidt bij een tikspel tot meer tikken en meer ontwijken. Duidelijk zal zijn dat het versmallen van het speelveld een ander effect heeft op het ‘beter leren tikken’ dan het minder diep maken van het veld. Arrangementsaanpassingen zijn sturende situaties die er voor kunnen zorgen dat je meer gaat oefenen wat je wilt oefenen. Meer gericht, dus met een grotere kans op succes.

Helder mag zijn dat we een pleidooi houden om de kracht van een ‘goed’ arrangement op waarde te schatten. Hoewel we van mening zijn dat het belang van een goed arrangement nauwelijks te overschatten is, is het tegelijkertijd ook zo dat een krachtig arrangement geen oplossing is voor elke deelnemer op ieder moment in alle stadia van motorisch leren. Het gebruik en de inzet van arrangementen vereist dus ook inzicht in het (motorische) leerdoel.

Van de professional vraagt dit het nadenken over het effectief inzetten van sturende situaties en de vraag wanneer en voor wie de dwingende situatie wordt omgebouwd naar de ‘volgende stap’ in de zogenoemde methodische lijn. Bij het motorisch leren en zeker ook bij het motorisch controleren gaat het juist om op het juiste moment de juiste arrangementsverandering of -aanpassing in te zetten.

Motorisch competent

Het streven is dat leerlingen zich ontwikkelen tot bewegingscompetente deelnemers aan bewegingssituaties.

Motorisch competente leerlingen zijn kinderen die het vermogen hebben om een breed spectrum aan motorische vaardigheden doelgericht en effectief te gebruiken.

Het uitbreiden van het bewegingsgedrag is werk in uitvoering dat steeds doorgaat en voortduurt.

Motorische competentie is werk in uitvoering waarbij de actuele bewegingsmogelijkheden van de leerlingen het resultaat van aanleg, de aanwezige en benutte bewegingskansen en de daarbij ervaren mate van lukken en mislukken zijn (Beenhakker et al., 2016, 2017).

Dit geeft de belangrijke rol van effectief onderwijs in bewegen aan. Het zijn kansen die te mooi zijn om niet te grijpen. Het daagt ons professionals ten volle uit om onze rol als bewegingslandschapsarchitect nader vorm en inhoud te geven. Via slimme, handige en doordachte inrichting van de leeromgeving wordt het zelflerend vermogen aangesproken zonder expliciete instructies en kennisopbouw. De deskundigheid van de docent ligt dan ook in het creatieve proces van het bedenken van bewegingsarrangementen die een effectieve uitvoering uitlokken.

Met recht kunnen we zeggen dat onze rol verschuift naar die van bewegingslandsschapsarchitect.

We arrangeren de beweegomgeving en daarmee de bewegingsarrangementen op een zodanige manier dat het beter leren bewegen effectiever en met meer plezier en voldoening gaat verlopen. Diverse motorische leerstrategieën hebben we hiervoor tot onze beschikking.

 Figuur 2: Overzicht motorische leerstrategieën binnen het bewegingslandschap

Grote vakkennis

In dit artikel hebben we naar voren gebracht dat bij het werken vanuit de ideeën van het nieuwe motorische leren er van de leraar lichamelijke opvoeding een grote en creatieve deskundigheid wordt gevraagd. Met grote aandacht voor het bewegende individu kan hij door het arrangeren van het bewegingsarrangement en het specificeren van de taakstelling oefenvormen creëren die tot duurzaam en direct bruikbare motorische competenties (kunnen) leiden. Bosch (2012) gebruikt de beeldspraak dat de rol van de docent bewegingsonderwijs (en sporttrainer) zal verschuiven van een dirigent die aangeeft welk element wanneer in het leerproces eigen gemaakt dient te worden, naar een tuinman die niet bepaalt wanneer of hoe hard de planten moeten groeien, maar enkel schoffelt en bemest. Met andere woorden met vakkennis de voorwaarden schept waarbinnen (impliciet) leren kan plaatsvinden.

Graag gaan we hier nog een stapje verder. Gras gaat niet sneller groeien door eraan te trekken. Tegelijkertijd blijkt het wel zo te zijn dat op de juiste manier bemesten en schoffelen zeker haar resultaten geeft. En laten we wel wezen, dan wil je toch ook weten wanneer, op welke manier en waar op een bepaald moment geschoffeld en bemest dient te worden?

Van ons professionals vraagt dit heel expliciete kennis over de wijze waarop en op welke momenten impliciet motorisch leren effectief kan worden ingezet. 

Reactie schrijven

Commentaren: 0