Bewegingsonderwijs met kleuters, een vak apart

 

Bewegingsonderwijs is een vak apart, werken met kleuters een apart vak. De combinatie van die twee verdient een eigen boek. Een bundeling van theoretische kennis, praktische inzichten en bruikbare tips over kleuters: het hoe en waarom van bewegingsonderwijs, de ontwikkelingsmogelijkheden van het jonge kind leren snappen, en vooral ‘kleuters in beweging’ vakkundig begeleiden.

Doorgaande lijn

De lagere school heet ‘basisschool’ sinds de Wet op het basisonderwijs (1985). Een van de speerpunten van de basisschool is een doorgaande leer- en ontwikkelingslijn van groep 1 tot en met groep 8. Vakkundig bewegingsonderwijs door een vakleerkracht begint in de praktijk vaak pas vanaf groep 3. In het jaarplan wordt dan groep 3 als beginsituatie genomen. Opmerkelijk, omdat het bewegingsonderwijs al vanaf groep 1 een enorme bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling tot autonome, bewegingscompetente en zelfredzame individuen. Het betreft kinderen die zich in een groep lekker en comfortabel voelen en tools hebben om zich staande te houden binnen een groep leeftijdsgenoten. Een vreemde en tegelijkertijd begrijpelijke situatie. Want hoeveel vakleerkrachten zien het speellokaal vanbinnen? En hoeveel groepsleerkrachten hebben voldoende kennis van vakkundig bewegingsonderwijs en de motorische ontwikkeling van het jonge kind? Laat staan dat er structureel overleg is over de doorgaande lijn van bewegingsonderwijs.

"Wat moet een kleuter kunnen, kennen en hebben ervaren binnen het speellokaal voor een goede en succesvolle overgang naar groep 3?"

Totale ontwikkeling als vertrekpunt

Kinderen bewegen, spelen en sporten van nature graag. Ze krijgen spelenderwijs grip op hun omgeving en ontdekken al bewegend hun eigen mogelijkheden en ook wat nog niet lukt. Kijken, pakken, manipuleren, ordenen, stapelen, gooien. Ergens op staan, aan hangen, op klimmen en vanaf springen. Kleuters ontdekken de wereld om zich heen door er bewegend mee om te gaan, veelal nog zonder dat er een eenduidige bewegingsbetekenis aan gegeven wordt. Kleuters geven zelf betekenis aan een bepaalde activiteit. Met deze speelkriebels geven ze er op hun eigen manier vorm en inhoud aan.

Beter spelen en bewegen met kleuters heeft de totale ontwikkeling van het kind als vertrekpunt. Hoe jonger het kind, hoe meer de verschillende ontwikkelingsdomeinen met elkaar verweven zijn, en hoe meer het bewegen ingrijpt op al die domeinen. De ontwikkelingsdomeinen samen zorgen voor competent motorisch gedrag. Bewegingscompetente kleuters hebben het vermogen om een breed spectrum aan motorische vaardigheden doelgericht, effectief en afgestemd op de omgeving te gebruiken. Het uitbreiden van dit bewegingsgedrag is continu ‘werk in uitvoering’.

Grote diversiteit

De diversiteit in groep 1 en 2 is heel groot. De oudste kleuters van 6-6,5 jaar hebben heel andere behoeftes, wensen en mogelijkheden dan de jongste kleuters die in de loop van het schooljaar de kleuterklas binnenkomen. Ieder kind bevindt zich binnen de zes ontwikkelingsdomeinen op een ander niveau. Goed bewegingsonderwijs biedt al die kinderen voldoende houvast, uitdaging en mogelijkheden om de eigen speelkriebels te volgen.

Halen en brengen

Kinderen hebben verschillende speelkriebels en komen dan ook iets anders halen (en brengen) in de les. En dat is in een gymles lang niet altijd alleen op motorisch vlak. Ieder kind heeft zijn ‘zone van naaste ontwikkeling’ waarin zijn interesse en speelkriebel liggen. Er is veel te leren en te ontdekken. Een goede bewegingsles biedt deze mogelijkheden. Kleuters kunnen er halen wat ze nodig hebben. Want als bewegingsactiviteiten onvoldoende aansluiten bij wat een kind kan en wil, wordt de kans dat het afhaakt bij activiteiten groter. Aansluiten bij de speelkriebels betekent dat het kind aangesproken wordt op wat het kan en wil:

  • mogelijkheden van materiaal ontdekken
  • sociale contacten aangaan
  • punten scoren – de beste, hoogste of sterkste zijn
  • de regel snappen – als je af bent, dan moet je …

Een doordachte les biedt een veilige, gestructureerde speel- en beweegomgeving met de juiste vorm van begeleiding.

"Wat het kind vandaag met hulp kan, doet het morgen, overmorgen of de dag erna alleen."

Van de leerkracht vraagt dit vertrouwen in de drang tot ontwikkeling – in de LEER-kracht van het kind. Het vraagt kennis van en vertrouwen in de geboden activiteiten, en een goed doordachte planning. Het vraagt bovenal een les waarin iedere kleuter voldoende veiligheid en structuur ervaart om binnen de kaders op ontdekking te gaan naar eigen interesses en mogelijkheden. Leuk bedacht, maar hoe geef je dit vorm in de praktijk? 

Een voorbeeld

Graag een inkijkje van hoe dit zou kunnen? Volg deze link en je krijgt een bewegend voorbeeld te zien van een les die is beschreven in 'Beter spelen en bewegen met kleuters'. Deze bewegingsles bestaat uit vier beweegtuinen; een klimtuin (met klimmen/klauteren en klimroutes), een speltuin (met een overloopspel), een mik-/en jongleertuin (met werpen en vangen) en als vierde de trucentuin met balanceren (wipwap).

Deze tekst van dit artikel is gebaseerd op een drieluik dat we schreven over 'beter spelen en bewegen met kleuters.'

Interessant?

Wil je meer vergelijkbare artikelen lezen? 


Schrijf je dan in voor de THEMA - Kennislink.

Reactie schrijven

Commentaren: 0