Hoofdstuk 7

Begrippenlijst

A.

Afferentie - De informatie die vanuit de periferie van het lichaam naar de hersenen wordt verstuurd. Een bewegend lichaamsdeel genereert bijvoorbeeld zo’n informatiestroom.

Analogieleren - Leren waarbij gebruikgemaakt wordt van een analogie. Er treedt overdracht van informatie op in één richting: van een vertrouwde en bekende beweging naar een onbekende of nieuwe beweging.

Arousalniveau - De activatietoestand van het centrale en autonome zenuwstelsel. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen toestanden als:lage arousal (zoals bij slaperigheid), gemiddelde arousal (de ontspannen waaktoestand) en over-arousal (bij overmatige stress, inspanning, opwinding of angstigheid).

Autonoom - Zelfstandig in het bepalen wat je wilt.                     


B.

Bewegingsonderwijs - De huidige en veel gehanteerde term voor ‘lichamelijke opvoeding’ en ‘gymnastiek’ binnen het onderwijs. Achter de term bewegingsonderwijs zit een specifieke visie op bewegen.

Bewegingsthema - Thema (bewegingsuitdaging) van een bewegingsactiviteit dat bij een leerlijn hoort, bijvoorbeeld bewegingsthema’s loopspringen en touwtjespringen horen bij de leerlijn springen.

Bewegingsstrategie/ oplossingsstrategie - De strategie die (onbewust) wordt gehanteerd om een ervaren

bewegingsprobleem, bijvoorbeeld het niet lukken van een beweging, op te lossen.

Bewegingsmogelijkheden fixeren - De enorme overdaad aan bewegingsmogelijkheden beperken door ze te ‘bevriezen’.

Bewegingspatroon - De wijze waarop een bepaalde bewegingsvaardigheid wordt uitgevoerd.


C.

Centrale zenuwstelsel - Deel van het zenuwstelsel dat bestaat uit de grote en kleine hersenen (cerebellum) en het ruggenmerg. Het centrale zenuwstelsel heeft een benig omhulsel.

Co-contractie - Samenwerking van spieren bij samentrekking van orgaan of spieren. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn om stijfheid van een gewricht te verhogen om precieze taken uit te kunnen voeren; leren schrijven of bij balanshandhaving rondom de enkel.

Competentie - Ontwikkelbaar vermogen waarmee in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd en resultaatgericht gehandeld kan worden.


D.

Declaratieve kennis - Een verzameling van kennis en wetenswaardigheden, in de vorm van feiten.

Dominante hersenhelft - De hersenhelft waar de centra voor taal zijn gelegen. Bij rechtshandige

mensen is dat in negentig procent van de gevallen de linkerhersenhelft; bij linkshandigen is dat in zeventig procent van de gevallen de linkerhersenhelft. De dominante hersenhelft speelt een belangrijke rol bij analytische activiteiten als redeneren en plannen.


E.

Ecologische psychologie - Een tak van de psychologie die het gedrag in de context bestudeert. Uitgangspunt hierbij is dat de waarneming en het handelen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Efferentie - De informatie die vanuit de hersenen naar de periferie (de ledenmaten) wordt gestuurd.

Eindhouding leren - De activiteit aanbieden waarbij duidelijk wordt gemaakt hoe je moet staan, zitten of liggen nadat je de beweging hebt uitgevoerd (op het eind). Door de eindhouding daadwerkelijk te laten aannemen wordt benadrukt hoe de eindhouding van de beweging eruit moet ‘zien’ en hoe deze voelt.

Expliciet leren - Een vorm van leren waarbij bewust geprobeerd wordt een gedetailleerd beeld van de vaardigheid te krijgen en deze zo precies mogelijk uit te voeren. De aandacht is rechtstreeks gericht op de uit te voeren vaardigheid of het resultaat van de vaardigheid op de omgeving. Expliciet leren wordt ook wel het directe leren genoemd.       
                                 

Expliciete kennis - Kennis over feiten en regels die bewust zijn en die kunnen worden benoemd of verwoord.


F.

Feedback - (Algemeen) de invloed van de resultaten op processen die deze resultaten tot stand hebben gebracht.

Foutloos leren - Het leren waarbij wordt geprobeerd een situatie te creëren waarin een activiteit altijd succesvol wordt uitgevoerd. Na een aantal succesvolle uitvoeringen wordt de situatie een klein beetje moeilijker gemaakt.


I.

Imitatieleren - Een vorm van observationeel leren waarbij je geen weet hebt van wat er precies gebeurt. Het nadoen van een beweging is bij deze vorm van leren vaak een vorm van impliciet, procedureel leren.

Impliciet leren - Een manier van leren waarbij je je niet of nauwelijks bewust bent van hoe je een bepaalde vaardigheid uitvoert. Je hebt geen of nauwelijks kennis van de beweegregels die de specifieke vaardigheid aanstuurt.

Impliciete kennis - Kennis die je niet (nauwelijks) expliciet kunt maken en dus ook niet kunt beschrijven of verwoorden.

Intrinsieke motivatie - Motivatie die mensen vanuit zichzelf hebben. De motivatie komt dus vanuit de persoon zelf. Je komt ‘in beweging’ niet omdat er een externe beloning in het vooruitzicht is gesteld. Je handelt vanwege de intrinsieke waarde van de activiteit op het moment zelf. Metaforisch beschreven, bij intrinsieke motivatie

draait het om het spel, bij extrinsieke motivatie gaat het om de knikkers.


K.

Kwalitatieve veranderingen in motorisch gedrag - Het ontstaan van nieuw gedrag of een nieuw bewegingspatroon

binnen een bepaalde motorische vaardigheid valt onder kwalitatieve verandering van motorisch gedrag.

Knowledge of results (KR) - Informatie over het bereikte einddoel (gelukt/niet gelukt, gehaalde punten etc.) of over het effect van de beweging.


L.

Leercurve - Een curve die de relatie aangeeft tussen de mate van oefenen en het prestatieniveau.

Leereffect - Het effect van een periode van oefenen van een activiteit, bijvoorbeeld het ‘koppeltje duikelen’, zodat de vaardigheid structureel is verbeterd ten opzichte van het begin van de oefenperiode en dit resultaat ook blijft bestaan na een periode van niet-oefenen.

Leer-kracht - Het vermogen om door zelforganiserende principes je bepaalde vaardigheden (ruim opgevat) eigen te maken.

Leerlijnen - Clustering van bewegingsactiviteiten (leerinhouden) die aangeven langs welke bewegingsuitdagingen kinderen hun vaardigheden kunnen uitbouwen. De leerlijnen samen vormen het geheel van een leergebied dat aangeboden wordt tijdens de basisschooltijd. Leerlijnen bieden een overzicht van de na te streven leerdoelen binnen een bepaald vakgebied. De verschillende leerlijnen bij elkaar bieden zicht op wat kleuters in de lessen bewegingsonderwijs leren.


M.

Meervoudige bewegingsbekwaamheid - De opvatting dat het motorisch, sociaal en cognitief leren in samenhang dient te worden bevorderd.

Motorisch competente kleuters - Kleuters die het vermogen hebben om een breed spectrum aan motorische vaardigheden doelgericht en effectief te gebruiken.

Motorische competentie - De competentie waarbij de motorische ontwikkeling en het motorische leren samen komen. Dit uit zich in competent motorisch gedrag.

Motorische controle - Het steeds beter afstemmen van geleerde vaardigheden op de omgeving.

Motorprogramma - De (abstracte) structuur die de hersenen maken van het beeld, de bewegingsvoorstelling die je voor jezelf hebt gemaakt van de uitvoering van een bepaalde vaardigheid of activiteit.


N.

Normloos leren - Leren waarbij de aandacht gericht is op het doel van de oefening. Door geen eisen te stellen aan de wijze van uitvoering wordt er geen beroep gedaan op het opbouwen van expliciete kennis (zo is de veronderstelling) over hoe de beweging moet worden uitgevoerd. De aandacht wordt gericht op het resultaat of wat de vaardigheid in de omgeving teweegbrengt.


O.

Observationeel leren - Leren door te kijken naar anderen.

Oefeneffect - Het directe resultaat van het oefenen van een activiteit. Na een bepaalde periode van niet-oefenen is de uitvoering van de vaardigheid veel minder geworden of kan helemaal niet meer worden uitgevoerd.

Open looptheorie (ook open lusbenadering genoemd) - Theorie die stelt dat bewegingen worden gereguleerd op basis van aangeleerde of aangeboren motorprogramma’s die grotendeels onafhankelijk van de informatie uit de periferie (de ledenmaten) de bewegingen (aan)sturen.


P.

Perceptie-actie-cyclus - De cyclus waarmee wordt aangegeven dat perceptuele informatie het bewegen stuurt en dat deze bewegingen op hun beurt perceptuele informatie genereren.

Power law of practice - Het verschijnsel dat hoe vaker je een bepaalde vaardigheid herhaalt, hoe beter je die vaardigheid gaat beheersen; oefening baart kunst.


R.

Relatie - In de context van de kleuter in de speelzaal; het naast en met elkaar spelen, waarbij gerichte aandacht is voor de ruimte en tijd om de ander te ontmoeten.

 


S.

Sensorische informatie - Informatie die tot je komt via de zintuigen, zoals voelen, zien en horen.

Stabilisatie - De afname in variabiliteit en inconsistentie in de uitvoering van een bepaalde vaardigheid of activiteit. Is, naast accuratesse en tempo, een van de kenmerken van een motorisch leerproces.

Stress - Een toestand van de hersenen waarin lichamelijk en geestelijk snel gereageerd kan worden om te kunnen vluchten of aanvallen. De stressreactie wordt opgewekt door de hormonen adrenaline en cortisol.

Sturende arrangementen - Het op een bepaalde manier inrichten van de context (het bewegingsarrangement)

zodat de uitvoering van de beweging als vanzelf een duwtje in de goede richting krijgt.


T.

Temporele kenmerken - Kenmerken van het motorprogramma die aangeven wanneer de (verschillende) deelbewegingen moeten worden uitgevoerd.

Transfer -  De in een bepaalde situatie geleerde activiteit uitvoeren binnen een andere situatie of context.


V.

Voorbeeldig leren - Een vorm van observationeel leren waarbij het gaat om het onder de knie krijgen van een leertaak door het stap voor stap nadoen van het correcte voorbeeld.

Vrijheidsgraden - De mogelijkheden tot bewegen. Ledematen van mensen hebben veel spieren en gewrichten waardoor (complexe) bewegingen op veel verschillende manieren kunnen worden uitgevoerd.

Vrijheidsgradenprobleem - Het probleem van hoe de bijna oneindige variaties in bewegingsmogelijkheden kunnen worden gecontroleerd en bestuurd door de hersenen.



Terug naar het overzicht?